Filosofische fabels als ‘blik-opener’

Filosofische fabels als ‘blik-opener’

Eind 2025 verscheen een tweede bundel filosofische fabels van de hand van Jan Bouwstra, dit keer onder de titel De krekel, het bos en de wereld. Maar liefst honderd nieuwe, als ‘lichtvoetig’ omschreven situaties waarin dieren reflecteren op het leven. Wat kun je daar als lezer mee?

Fabel als genre

Het boek volgt op De brilslang, de boktor en de andere dieren. Filosofische fabels dat in 2024 verscheen en ook aandacht kreeg op deze site. Met deze fabels begeeft Bouwstra zich in een vele eeuwen oud genre waaraan bekende namen als Aesopus, Jean de La Fontaine, en in Nederland Anton Koolhaas en Toon Tellegen, luister hebben gegeven – een genre waarin dieren denken, praten, ruziën, … als mensen met alle menselijke emoties daar bij horen. De omslag van de eerste liet er geen twijfel over bestaan: ‘Wie zich afvraagt of er al een opvolger is voor Toon Tellegen hoeft niet langer te zoeken. Hij is er: Jan Bouwstra.’

Overeenkomsten

Bouwstra en Tellegen hebben meer met elkaar gemeen dan alleen het delen van het genre. Ik zie meer overeenkomsten zoals als de lengte van de verhalen (beknopt), de sfeer, de onverwachte wendingen, de verrassende dialogen, en heel vaak het open einde dat uitnodigt tot verder denken. Dit alles riep bij mij de vraag opriep of er naast overeenkomsten ook verschillen zijn en zo ja, waar die dan zijn aan te treffen.

De lezer aan het werk

Een eerste verschil dient zich snel aan. De fabels van Tellegen hebben geen titel, geen opschrift, ze beginnen gewoon. Bouwstra geeft zijn verhalen ook in deze tweede bundel wel een titel mee en meer dan eens geeft die richting aan het lezen en interpreteren – verwijzingen naar dingen die een plek hebben in de intellectuele cultuur van dit moment. Zo zie ik titels van hoofdstukken als ‘Keuringsdienst’, ‘Niets innerlijks’, ‘Tegenstrijdige belangen’, ‘Existentiële vragen’ en ‘Gevangen in onszelf’.

Dat staat dan wel weer haaks op wat Bouwstra met zijn verhalen beoogt. Zo schrijft hij in het voorwoord dat de betekenis van deze fabels ‘het bezit is van de lezer, in wiens hoofd zij, naar ik hoop, met een glimlach wordt geboren. Als iets dat ons verbindt.’ Met andere woorden: Bouwstra hoopt de lezer via de fabel zelf/ook aan het werk gaat, niet om de bedoeling van de auteur te achterhalen (geen ‘wat bedoelt de schrijver?’) maar om er betekenis aan te ontlenen (of aan toe te kennen). De fabel als inspiratiebron voor het eigen denken.

Fabel als inspiratiebron

Dat fabels deze functie vervullen zag ik vaak gebeuren met de dierverhalen van Toon Tellegen. Regelmatig kwam het bij mijn gastcolleges aan schoolleidersopleidingen voor dat iemand de bijeenkomst opende met een fabel van Tellegen die kennelijk als bron van inspiratie had gediend bij de voorbereiding van de betreffende bijeenkomst. Het dierverhaal als spiegel voor de eigen situatie, als ‘blik-opener’ om op een nieuwe manier naar de eigen ervaring te kijken en anderen uit te nodigen dat ook te doen.

Experiment

Ik ga een experiment uitvoeren. Ik ga kijken of die blik-openende werking bij lezing van de filosofische fabels van Bouwstra dezelfde is als bij het lezen van de verhalen van Tellegen.

Ik kies daartoe willekeurig vijf verhalen uit deze nieuwe bundel van Bouwstra en ook vijf uit de grote bundel van Toon Tellegen, Misschien wisten zij alles. 313 verhalen over de eekhoorn en de andere dieren. (In deze verzamelbundel zit geen inhoudsopgave waar ik in kan prikken, ik doe het via het register van dieren.)

Met alle tien verhalen (1) volg ik dezelfde werkwijze. Die werkwijze ontleen ik aan de manier waarop kloosterlingen met teksten uit de Bijbel omgaan, de zogenoemde lectio divina. Die methode bestaat uit vier fasen:
– Ik lees het verhaal vlotweg om te kijken waar het over gaat.
– Ik lees het verhaal langzaam en let op woorden of wendingen die me opvallen, die blijven haken. Ik onderstreep die en laat ze op me inwerken. Wat gebeurt hier dat me dit opvalt?
– Ik vat samen wat het verhaal me vertelt.
– Ik verbind het verhaal met mijn eigen situatie of leven: zet het me aan het denken? Ga ik anders kijken naar iets wat me bekend was? Wat léért het verhaal me over mijn eigen leven of eigen staan in de wereld?
Ik breng wel een verschil aan met de werkwijze van de kloosterlingen. Zij kauwen rustig een week op een tekst of perikoop uit de Bijbel – zo lang wil ik het experiment niet uiteen rekken.

Leeservaringen

Mijn ervaringen met de vijf verhalen van Bouwstra:
– Verschillende keren werd ik bij eerste lezing al verrast, door een mooie zin of een opvallende wending. Twee voorbeelden, uit hetzelfde, eerste verhaal. (1) De opening: ‘Het was herfst en de hemel bracht wit licht naar het bos, zonder de glimlach die de zomer er meestal bij schonk’ – bij lezing van zo’n zin verschijnt er ook een glimlach op mijn gezicht. (2) De mier wordt depressief van de herfst. De krekel komt op bezoek en vraagt hoe het gaat. De mier antwoordt ‘ niet zo best’ waarop de krekel vraagt waar het niet best gaat en of dat op een plek is ‘waar je bij kunt’. Voor mij een zonnetje waar je verschillende kanten mee op kunt…
– De verhalen brachten me regelmatig aan het denken over mijn eigen situatie, over hoe ik me in het leven beweeg. Bij het eerste verhaal associeerde ik naar het verschijnsel ‘in een bubbel leven’ en het verschijnsel ‘echokamers’ en of ik daar ook deel in had. Bij het verhaal over ‘mindfullness’ associeerde ik naar het verschil tussen surrogaatoplossingen en de harde realiteit met de pijn die echte oplossingen vaak meebrengen. Afijn, de verhalen ‘werkten’.
– Het verhaal over de ‘tegenstrijdige belangen’ klinkt in deze tijd van voorbereiding op Pasen wel heel uitdagend!

Bij de vijf gekozen verhalen van Tellegen was ik
– (opnieuw) verrast door de vanzelfsprekendheid waarmee zogenoemde onmogelijke dingen gewoon kunnen, zoals een mier die met een walvis op zijn rug een boom beklimt op weg naar de woning van de eekhoorn. Ook leuk en zelfs poëtisch: de wind als drager van boodschappen, als postbezorger.
– gecharmeerd van die ‘zwevende’ eindes van een verhaal, zoals van de niet aanvaarde wijsheid van de oehoe, of het streven van de sneeuwuil om ook de laatste beweging in zijn lichaam tot stilstand te brengen om zodoende nooit iets te vergeten – een alles of niets perspectief dat te denken geeft.

Speels

Het experiment is natuurlijk speels bedoeld en de steekproef die ik deed heeft geen andere pretentie dan te kijken of een belofte van de schrijver/uitgever aan de lezer (in dit geval aan mij) ook daadwerkelijk wordt waargemaakt. Hetgeen voor de fabels van Bouwstra inderdaad het geval is. Waarmee ik tegelijk opmerk dat deze conclusie geheel privé is en tegelijk een uitnodiging aan u, als lezer van dit blog, om hetzelfde experiment ui te voeren. Van harte aanbevolen!

(1) De titels die ik blind met mijn potlood aantikte in De krekel, het bos en de andere dieren waren: ‘De krekel en de mier’ (pag. 37), ‘Mindfullness’ (pag. 91), ‘Tegenstrijdige belangen’ (pag. 133), ‘Op elk woord een vlinder’ (pag. 178) en ‘Lief dagboek’ (pag.202).
Bij Tellegen kan ik niet verwijzen naar titels maar wel naar de paginanummers in de uitgave die ik gebruikte, de elfde druk uit 2002. Ik prikte: pag. 19, pag. 41, pag. 53, pag 166, pag 415).

Jan Bouwstra, De krekel, het bos en de wereld. Filosofische fabels. Uitgeverij Noordboek 2025. Met treffende illustraties van Angela van der Meulen.

Filosofische fabels als ‘blik-opener’

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *