Historische romans doen het goed. Er is onder lezers veel belangstelling voor het verleden dat via bekende personen of gebeurtenissen tot leven wordt gewekt.

Ook toekomstromans doen het goed. Een gevestigd genre is science fiction, toekomstdenken waarin robots, ruimteschepen, contacten tussen planeten, en hightech het verhaal dragen. Jules Verne begon er al mee. Sindsdien stáát dit genre.
De toekomst kan ook op andere manieren in beeld worden gebracht. Denk maar aan utopische romans, boeken waarin de toekomst als een soort paradijs wordt voorgesteld. Denk aan Thomas More (‘Utopia’), Francis Bacon, Aldous Huxley, e.a.
Maar er is ook een heel andere ontwikkeling in deze literatuur gaande, die juist een tegengesteld beeld toont. Geen utopie maar een zogenoemde dystopie: een toekomst waarin de crises die we nu mee maken, zoals de opwarming van de aarde, het smelten van het poolijs, de verhoging van de waterstand, hun gevolgen laten zien. Geen paradijs, maar ravage, geen hightech maar een groot tekort aan grondstoffen, geen uitdijende, gelukkige wereldbevolking maar een halvering. Dat is het beeld dat Ian McEwan schetst in zijn laatste, in het Nederlands verschenen roman ‘Wat we kunnen weten’.

In dit boek, dat voor een gedeelte in het nu speelt en voor een ander gedeelte in 2119, honderd jaar verder dus, speelt nog iets anders dat me fascineerde: stel dat we over honderd jaar terugkijken op het nu, wat zien we dan? En is wat we dan weten ook wel echt wat er toen speelde.
Dezelfde vragen spelen ook als wij vanuit het heden terugkijken naar 1926. Het grote verhaal dat we dan reconstrueren, zal wel kloppen, maar net als de geschiedkundigen over 100 jaar krijgen ook wij in onze tijd geen zekerheid over wat er echt in de harten van de mensen uit 1926 speelde.
Alle documenten die bewaard zijn gebleven, ten spijt.
(Dit blog verschijnt gelijktijdig als column in de Voorschotense Krant)








