Het verlaten individu

Het verlaten individu

Vorig jaar verscheen Het verlaten individu van psychiater Esther van Fenema. Dit jaar verscheen al de vijfde, inmiddels uitverkochte druk. De ondertitel roept direct belangstelling en reflectie op: Waarom voelen we ons zo leeg? Want, doen we dat ook? En zo ja, waar komt dat dan door?

Sterren

(bron: esthervanfenema.nl)

NRC van 14 december 2019 kopte ‘De psychiater is een ster’ en interviewde Dirk de Wachter, Damiaan Denys en Paul Verhaeghe over hun populariteit.
Inderdaad, deze psychiaters zijn vooraanstaande analisten en criticasters van de huidige (Westerse) samenleving. Ze hebben zich nadrukkelijk gevoegd naast de filosofen die van oudsher gewend zijn maatschappelijke ontwikkelingen op afstand en met een kritisch oog te volgen. Welnu, Bij dit rijtje van bekende mannelijke psychiaters heeft zich nu Esther van Fenema aangesloten.

Ik las al eerder met genoegen haar columns in Trouw. Met haar boek Het verlaten individu. Waarom voelen we ons zo leeg? geeft ze een meer omvattende analyse van ‘de staat van Nederland’. Ze doet dit aan de hand van de zeven hoofdzonden, waaraan ze een achtste toevoegt: leegte.

Flat?

Op de voorkant van de omslag zien we iets wat lijkt op een flat. Op wat misschien de hoogste etage zou kunnen zijn kijkt een vrouw uit het raam. Een arm rust op de vensterbank. Ze lijkt er de tijd voor te nemen, om in zich op te nemen wat ze voor zich ziet en om al die indrukken te voorzien van een duiding, een betekenis.

Hoofdzonden

De zeven hoofdzonden (misschien beter: ondeugden) komen dus voorbij. Van Fenema benoemt ze met hun Latijnse naam. Dus superbia (hoogmoed), acedia (luiheid of onverschilligheid), avaritia (hebzucht), gula (onmatigheid), luxuria (lust), ira (woede) en invidia (afgunst). De achtste die zij daar dus aan toevoegt is vacuüm (leegte).
De zeven hoofdzonden kennen een lange traditie. Ze gaan terug tot Paus Gregorius de Grote (590-604). Ze vormen een soort canon zoals ook de kardinale deugden een soort canon vormen waaraan je niet snel tornt. Waarom dan toch een achtste toegevoegd?

Terzijde, Van Fenema is niet de enige die zich deze vrijheid veroorlooft. Ook Aviad Kleinberg voegt aan zijn bespreking van de zeven hoofdzonden (1) een achtste toe: schijnheiligheid (niet te verwarren met hypocrisie) .

Bij lezing van Het verlaten individu kreeg ik regelmatig het gevoel dat ‘leegte’ de huidige staat van de andere zeven begeleidt, daar een onderdeel van is, of beter: een gevolg. Van Fenema onderkent dit zelf ook. In de Introductie merkt zij op:

‘Is leegte een zonde op zichzelf of is zij het desastreuze gevolg van de zeven hoofdzonden, die ons inmiddels hebben overmeesterd? In dit boek kies ik voor leegte of vacuüm als nieuwe hoofdzonde die kenmerkend is voor onze huidige belevingswereld’ (pag. 10-11).

Een echte reden geeft zij niet voor deze keuze, althans niet expliciet. Dit neemt niet weg dat die reden (naar mijn indruk) wel uit het boek is af te leiden: de hedendaagse mens heeft zichzelf losgezongen van elke autoriteit die groter is dan hem-/haarzelf. De mens die zichzelf tot God heeft verheven.

God als ‘God’

Op Van Fenema’s gebruik van God moet ik even wat meer zeggen omdat hier, ondanks de woorden van Van Fenema zelf, mogelijk misverstanden rijzen, of irritaties bij de lezer.

Van Fenema opent haar boek met een citaat uit Psalm 22:

‘Eloï, Eloï, lama sabachtani? Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?’

Het zijn de eerste woorden van psalm 22 en de woorden die Jezus roept als hij gekruisigd wordt voor onze zonden’.

Niet alleen in dit citaat, doorheen het hele boek vormt de Bijbel een belangrijke bron voor Van Fenema. Ik kreeg bij lezing de indruk dat deze bron voor haar persoonlijk meer betekent dan het werk van filosofen en collega-psychiaters die zij veelvuldig citeert. Ik hoop dat dit inderdaad het geval is want als belijdend en praktiserend christen ervoer ik het als een verademing dat ze dit gewoon zo doet. Dank daarvoor!
Wellicht om te voorkomen dat ze zich daarmee vervreemdt van een grote groep lezers merkt ze in de Introductie op:

‘Het begrip God staat voor “het hogere” dat ons disciplineert en het gemeenschappelijke doel of verhaal vormt dat overstijgt en waarvoor we willen leven of sterven’ (pag. 12).

Opgestoken hand

God (of ‘God’) als degene die ons regelmatig een halt toeroept en van ons verlangt dat we ons bezinnen op de vraag of we dit of dat wel werkelijk willen of zouden moeten willen. Een opgestoken hand. Iemand of iets dat grenzen stelt, begrenzingen formuleert waarbinnen ons handelen kan plaatsvinden. Iemand of iets die ons behoedt voor een klakkeloze knieval voor de commercie, voor het goedkope plezier, voor de vele vormen van manipulatie waaraan wij als losgeslagen (‘van God los’) individuen onderworpen zijn zonder dat we ons dat realiseren.
Eigenlijk is dit de rode draad door het hele boek: door zich te onttrekken aan het gezag van God heeft de moderne mens zichzelf tot God gebombardeerd. Dat lijkt een daad van vrijheid maar is dat alleszins. Die vrijheid is puur een illusie, gedreven als we worden door de algoritmen van de grote tech’s.

Secularisatie

Als we ‘God’ is kleiner maken dan kunnen we ook zeggen dat de moderne mens zich heeft losgemaakt van de groep, de structuren, de samenlevingsverbanden die altijd een socialiserende en daarmee begrenzende functie hebben gehad. We laten ons door niet en niemand meer dicteren, we zijn volledig eigen baas geworden.

Van Fenema verbindt deze erosie van traditionele maatschappelijke verbanden met de secularisatie en ontzuiling. Dat laatste vind ik een waardevolle gedachte en een correctie op de vaak gehuldigde ‘bevrijding’ van de zuilenstructuur. Niet dat Van Fenema terug wil naar de verzuiling uit de periode rond de Tweede Wereldoorlog, wel dat er nadien iets verloren is gegaan wat we kunnen aanduiden als een groot gemis. Noem het ‘sociale controle’, ‘collectief geweten’ of iets van dien aard, positief bedoeld dan. Kaders die ons ervoor behoeden dat we vervallen in onmenselijk gedrag.

Boetepreek

Van Fenema bespreekt dus de zeven hoofdzonden elk afzonderlijk. Ze maakt daarbij gebruik van een telkens terugkerend patroon van bronnen: de cultuur (bijbel, de mythologie, schilderkunst, film, literatuur, toneel, kloosterleven, muziek) en de spreekkamer (haar eigen psychiatrische praktijk) om elke zonde te analyseren op individueel en collectief niveau. Ik waarschuw de lezer maar: ze schetst een meer dan somber beeld: het is slecht met ons gesteld.

Ik volsta met een lang citaat dat, denk ik, representatief is voor haar betoog en schrijfstijl:

‘We zijn verslaafde consumenten, vastgeketend in de industriële hel. Kun je nog wel spreken van een zonde als onze natuurlijke aanleg op grote schaal wordt uitgebuit voor het geldelijk gewin van weinigen? Bestaat eigen verantwoordelijkheid überhaupt nog wel of zijn we inmiddels allemaal slachtoffers geworden? De paradox is dat we onze natuur hebben uitgeleverd, waardoor er munt uit geslagen wordt, en tegelijkertijd zijn we onze eigen afgod geworden. We zijn eenzame individuen die de groep de rug hebben toegekeerd, en met een roodgloeiend beloningssysteem dag in, dag uit in de eerste plaats onze eigen behoeften bevredigen. De groep die ons altijd beschermde tegen gevaar, waaronder uitbuiting, is weggevallen. We isoleren onszelf én wanen ons God. De uitgekomen droom van de commercie’ (pag. 147)

Elk hoofdstuk leest als een boetepreek. Van Fenema geeft de moderne mens er flink van langs. En omdat die moderne mens in het boek wordt aangesproken met ‘wij’ (wij met z’n allen) lijkt er geen ontsnappen aan en wordt tegenspraak ook niet geduld. Dit gebruik van het meervoud, dat identificatie faciliteert, kan daarmee ook wrijving bij de lezer genereren. Alsof je geleidelijk wordt ingezogen in een fuik waar je niet in wilt. Intussen word je als lezer wel tot gewetensonderzoek aangezet. Wellicht is het daar Van Fenema ook om te doen. Verwacht van haar geen verlossing, geen ladder die uitgeworpen wordt, geen vangzeil om je op te vangen.

Verder dan versnipperde opmerkingen als ‘denk erover na, laat dit op je inwerken, waar sta je zelf hierin, hoe wil jij de menselijkheid bewaren?’ gaat ze in dit boek niet. (Ik las dat er dit jaar een soort vervolg is verschenen dat Van Fenema samen met Joost Röselaers schreef, De leegte voorbij. Op zoek naar een verhaal dat ons verbindt.)

Balans

Waar Van Fenema de moderne mens verwijt dat hij geen autoriteit tegenover zich lijkt te verdragen (geen ‘opgestoken hand’ die tot nadenken aanspoort), zo lijkt Van Fenema ook zelf een opgestoken hand te missen, tegenspraak, een weerwoord. Ik doel op literatuur zoals De meeste mensen deugen van Rutger Bregman die een ander beeld schetst, of Vooruitgang van Johan Norberg. Ook noemt ze niet of nauwelijks tegenbewegingen. Van Fenema is allerminst op zoek naar een balans. Dit kun je een tekort noemen, ik denk dat het een weloverwogen keuze is.

Aviad Kleinberg, 7 Hoofdzonden. Een zeer onvolledige lijst. Kampen: Uitgeverij Ten Have 2009.

Esther van Fenema, Het verlaten individu. Waarom voelen we ons zo leeg? Amsterdam: Prometheus 2023, vijfde druk.

(Dit blog verschijnt gelijktijdig op harmklifman.nl)

Het verlaten individu

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *