Blinde vlek

Blinde vlek

Hoewel ik als lezer een alleseter ben (uitgezonderd science fiction) ben ik toch vooral ‘groot gegroeid’ met de Nederlandse literatuur. Nu ik me verdiep in wat leesplezier is, merk ik dat dit me in de weg zit. Hoe kan dit? (En misschien herken je het probleem, net zo of net anders)

Ik noem het een blinde vlek: de automatische koppeling van leesplezier aan het lezen van literatuur. Terwijl de feitelijke situatie heel anders is. Sterker, misschien vele malen méér lezers dan de strikte ‘literatuurders’, beleven veel  plezier aan boeken die weggezet worden als ‘nou dat is geen literatuur hoor!’ Dat kan en mag ik toch niet ongezien laten?

Verplichte lijst

Al op het Corderius College in Amersfoort was ik de uitzondering in de klas die geen moeite had om de verplichte literatuurlijst vol te krijgen. Wij moesten er twintig? dertig? lezen, over verschillende periodes verdeeld, de meesten uit de moderne tijd. Klasgenoten kwamen in het examenjaar rond februari bij mij vragen met welke boeken ze het gemakkelijkst weg zouden komen.  

Toen ik in 1970 aan de UvA Nederlands ging studeren, nam het aantal verplichte werken natuurlijk toe, al waren de normen in mijn tijd net teruggeschroefd en hadden ouderejaars er (meen ik) nog driehonderd moeten lezen. Overigens was het (mondelinge) literatuurtentamen het enige tentamen waarvoor ik nog een keer terug moest komen bij de docent, de toen nog jonge Herman Pleij. 

Fictie-consumptie

Na mijn studie heb ik lang geprobeerd de debuten van Nederlandse schrijvers bij te houden. Daar was al snel geen beginnen aan. Er verschijnt zo ontzettend veel. Kijk maar naar de weekendedities van de kwaliteitskranten. En die bespreken maar een fractie van wat er verschijnt. Om nog maar te zwijgen van al die auteurs die werk in eigen beheer uitgeven, bijvoorbeeld omdat ze bij uitgevers niet aan de bak komen. Kortom, alles willen lezen, zelfs alleen debuten – het is onbegonnen werk …. Een frustrerende constatering.

Er waren tijden dat ik alles van een bepaalde auteur achter elkaar las: Bernlef, Maarten ’t Hart, Mulisch, W.F. Hermans, (Reve niet), Ida Gerhardt en veel Vlaamse auteurs, maar ook vertaald werk van Marquez, Kosinski, en zo meer.

Gabriel Garcia Marquez (bron: nl.wikipedia.org)

Er waren tijden dat ik boeken rond hetzelfde onderwerp uitkoos om te lezen, zoals Joodse (na-) oorlogsliteratuur. Bashevis Singer, Elie Wiesel, Joshua Heschel, Abel Herzberg, Chaim Potok, …

Ik lees nu al een paar jaar twee thrillers per maand, meestal de boeken die ik ontvang via mijn abonnement op Bookchoice.nl. Ik ben dus gepokt en gemazeld in de literatuur. Het zal dan ook niet verbazen dat ik bij ‘plezier van het lezen’ allereerst denk aan het lezen van literatuur.

80 managementboeken

Naast fictie lees ik regelmatig non fictie. Toen ik werkte aan Cicero leest Covey over retorica in populaire managementboeken las ik zo’n 80 managementboeken in een jaar. En ook nu, nu ik werk aan het nieuwe boek over leesplezier verzamel ik daar van alles omheen, zoals de prachtige publicaties van Alberto Manguel (De kunst van het lezen, Een geschiedenis van het lezen en Dagboek van een lezer.), James Wood, Italo Calvino, …

Leesplezier ‘vangen’

Het was de Franse filosoof Roland Barthes (1915-1980) die mij inspireerde tot onderzoek naar leesplezier. Barthes neemt in zijn boek Het plezier van de tekst weliswaar allerlei grote Franse schrijvers, toch gaat het hem in de kern om de vraag waarom lezen zo vaak en zo veel plezier oplevert. (En voeg ik daaraan toe: hoe het kan dat je verdrietig kunt worden van een boek en dit toch als leesplezier kunt ervaren.) 

De vragen van Barthes zijn ook mijn vragen: wat maakt dat een boek leesplezier creëert, en omgekeerd, wat maakt dat dit soms juist ontbreekt? Het zijn wat mij betreft fascinerende vragen. Lukt het om zoiets ongrijpbaars als leesplezier toch te vangen? 

Twee maanden

Er waren twee maanden nodig om mijn onderzoeksblik te verruimen naar andere soorten fictie dan degene die geboekt staat als literatuur. En naar non fictie, zoals biografieën, reisverslagen, ontdekkingstochten, historische werken, literaire thrillers, boeken over bedrijfsschandalen, over trends, over voetbal of voetballers, ga zo maar door.

Misschien vind je twee maanden lang. Misschien vind je dat dit veel sneller had gekund of gemoeten. Dat kan ik begrijpen, maar mezelf verontschuldigend voeg ik er aan toe dat auteurs als de genoemde Alberto Manguel, James Wood, Stephen King, Roland Barthes en al die anderen die ik ‘eromheen’ las, zich consequent beperken tot literatuur. Of het nu gaat om leesplezier of om de vormende functie van lezen, andere soorten fictie zijn gewoon niet in beeld tenzij in veroordelende zin. (Houden al deze auteurs, die ik overigens zeer bewonder om hun eruditie, mij in feite gevangen in het web van de elitaire kijk op de functies van literatuur?)

Drie boeken

Drie boeken hebben mij bewust gemaakt van mijn eenzijdige oriëntatie, mijn blinde vlek: Over leven en schrijven van bestseller auteur Stephen KingDe dochter van de imker van een andere bestseller auteur, Santa Montefiore en een boek van nog een derde bestseller auteur, Heerlijk duurt het langst van Jill Mansell

Toen ik Stephen King las, dacht ik regelmatig: wauw, wat kan die man schrijven! En toen ik Montefiore en Mansell las, las ik vooral stereotypen. Ik had vaak aan een paar zinnen per pagina genoeg om het verhaal te volgen, zonder een moment van aarzeling iets te missen. 

Het grappige is: beide, Montefiore en Mansell, doen in hun boeken alles wat King in zíjn boek over de kunst en techniek van het schrijven juist verbiedt. En dan te bedenken dat ze toch alledrie succesauteurs zijn. Alledrie bezorgen zij miljoenen lezers veel leesplezier. Leesplezier is dus een begrip dat niet onlosmakelijk verbonden is met literatuur of met wat vaak aangeduid wordt als ‘het betere boek’.

Santa Montefiore (bron: pinterest.com)

Eerlijk gezegd, Montefiore en Mansell zijn niet de auteurs bij wie ik vol spanning uitzie naar de volgende roman. Ik kan me wel heel goed voorstellen dat anderen dat wèl doen. Hun boeken beschikken over een aantal kwaliteiten die knap inspelen op het verlangen leesplezier te ervaren. Zo valt op dat ze de lezer gemakkelijk in staat stellen zich te identificeren met een of meer hoofdpersonages, om mee te leven, mee te lachen  en misschien mee te huilen. Ook valt op dat de situaties waarin de personages zich bevinden heel schematisch zijn met daardoor snel herkenbare tegenstellingen (rijk – arm, adel – volk) en conflicten (wel/geen diefstal, wel/geen liefde, wel/geen verhouding, wel/niet bekend worden van een geheim, en dergelijke). Je hoeft er als lezer niet veel moeite te doen, je kunt gelijk bij het begin gemakkelijk wegzinken in het verhaal, en daardoor je snel verplaatsen in de imaginaire wereld die het boek je aanreikt. 

Wie lezen aanbeveelt omdat het je leert je in andere situaties te verplaatsen of in andermans emoties, kan deze effecten niet ontzeggen aan de boeken van schrijvers als Montefiore en Mansell. Ze dienen zich ongecompliceerdheid aan. Wat ik maar wil zeggen is: de deugden van het lezen zijn, net als het ervaren van leesplezier, zeker niet afwezig in deze romantische verhalen.

Lectuur?

Het is zo ongeveer de standaard om te stellen dat het verschil tussen deze auteurs (King versus Montefiore en Mansell) raakt aan wat literatuur tot literatuur maakt. In de duiding waarmee Wikikids jongeren inwijdt in het lezen, gaat het dan om het verschil tussen lectuur en literatuur:

Lectuur is een begrip uit de wereld van de boeken. Het is exact het tegenovergestelde van de literatuur. Een literair boek is een bijzonder boek, een uniek boek waar over nagedacht is en waar over nagedacht moet worden.

Een lectuurboek is een aan de lopende band geschreven boekje (met thema’s als: avonturen, romantiek) een (duizend-in-één-dozijn) verhaaltje met saaie personages en weinig diepgang. Vaak verschijnen zulke boeken kort na elkaar.’ (https://wikikids.nl/Lectuur)

Deze definitie is, zo komt mij voor, zelf niet ontsnapt aan een gebrek aan diepgang. De tegenstelling die hier wordt gecreëerd (‘exact het tegenovergestelde’) is wel erg absoluut. Alsof er maar twee werelden bestaan die elk herkenbare eigenheden vertonen die niet tot elkaar herleidbaar zijn.  

De omschrijving die Wikikids geeft, stemt trouwens overeen met wat de Franse auteur en leraar Daniel Pennac in zijn prachtige In een adem uit ….Het geheim van het lezen zegt over het verschil tussen ‘goede en slechte boeken’:

Danie Pennac
bron: nl.wiki.org

‘In grote trekken komt het hierop neer: er bestaat wat ik noem een “industriële literatuur”, die niets anders doet dan het reproduceren, tot in het oneindige, van dezelfde soorten verhalen; die aan de lopende band stereotypen aan de man breng, die goede gevoelens en sterke sensaties versjachert en elke actuele aanleiding aangrijpt om een gelegenheidsverhaal te produceren, die zich in “marktonderzoeken” stort om, afhankelijk van hoe de “conjunctuur” is, dit of dat type “produkt” af te zetten dat geacht wordt aan te slaan bij deze of gene groep lezers.

Dat zijn gegarandeerd slechte romans.

Waarom? Omdat ze niet uit een creatie ontstaan, maar uit de reproduktie van bij voorbaat vastliggende vormen: omdat ze op simplificatie uit zijn (dat wil zeggen: op de leugen), terwijl de roman een kunst is van de waarheid (dat wil zeggen de complexiteit), omdat ze onze nieuwgierigheid in slaap sussen door op onze automatismen in te spelen, en ten slotte en vooral: omdat de auteur daarin ontbreekt, net als de werkelijkheid die hij ons pretendeert te beschrijven.

Een literatuur, kortom van “hapklare brokken”, gemaakt van sjablonen, en die onszelf ook graag in sjablonen zou willen vangen.’ (pag. 153-154)

Ja, maar

De tekst spreekt voor zich. Het is de bekende en oude controverse tussen literatuur en lectuur, tussen het goede boek en het slechte boek, tussen ‘echte boeken’ en ‘pulp’. Ik plaats hier graag een paar kanttekeningen bij vanuit mijn onderneming om het begrip ‘leesplezier’ te ‘vangen’.

  1. Het zijn esthetische oordelen die aan deze tweedeling ten grondslag liggen en zijn die niet (strikt) persoonlijk? In de gemakkelijke variant: ‘over smaak valt niet te twisten, toch?!’ Tja, dit lijkt me een wel weer erg gemakkelijke manier om de verschillen in appreciatie mee weg te zetten. Twisten over smaakverschillen kan juist de manier zijn om te onderzoeken waar die verschillen op zijn terug te voeren. En of dit ook iets te maken heeft met verschillen in leesplezier.
  2. Het zijn, zeker in de verwoording door Pennac, ook morele oordelen. Zijn woordkeus is daar helder over.
  3. Het zijn ook politiek-filosofische oordelen die iets zeggen over de functie van literatuur: over de vormende waarde ervan versus de ‘benevelende’ functie van lezen, lezen als ontsnappen aan de realiteit, als een soort opium dus.

Het zijn precies deze kanttekeningen die mij dwingen tot scherpte in mijn onderzoek naar leesplezier. Want ja, ik herken de kritiek van Daniel Pennac (en van Stephen King en vele anderen) op de industriële literatuur. Mijn leeservaringen met de boeken van Santa Montefiore en Jill Mansell bevestigen het beeld dat hij schetst. Tegelijkertijd doet dit beeld de werkelijkheid tekort. Ik zeg dit niet om Montefiore en Mansell in bescherming te nemen maar wel al die enthousiaste lezers die ik tegenkom in verscheidene omvangrijke Facebook-groepen. Het leesplezier druipt daar in dikke druppels van de ‘posts’. Die ‘posts’ gaan niet over literatuur of lectuur, maar over: spanning, genieten, huiveren, huilen, … Dat ga ik dus echt niet afserveren als ‘braaksel van een benevelde geest’. 

Jill Mansell (bron: goodreads.com)

Continuüm

Ik denk dat we meer recht doen aan de feitelijkheid als we over de rigide tweedeling in literatuur versus lectuur heen stappen. Zo schematisch is het allemaal niet. Het lijkt me beter om te spreken van een continuüm die begint bij ‘broddelwerk’ links (want ja, er bestaan echt echt slechte romans) en eindigt bij ‘meesterwerk’ rechts. Iedere lezer trekt zijn eigen lijn en langzaam vult die lijn zich met punten. Zoals een tijdlijn de verschillende handelingen rond een zaak in beeld brengt, zo brengt de leeslijn de eigen leeservaringen in beeld en geeft de plaats op de lijn de persoonlijke waardering aan.   

Het is niet alleen ‘eerlijker’ om te denken in termen van een continuüm, het is ook spannender voor jou als  lezer. Want ja, waar op de lijn plaats je het boek dat je net gelezen hebt? Voor of na X?

Het bijzondere van lezen is, dat naarmate je meer hebt gelezen, je beter in staat bent een boek een plek te geven op deze denkbeeldige lijn. Ik heb hier geen bewijs voor, anders dan mijn eigen leeservaring en die van veel anderen. 

En om het nog weer spannender te maken: terwijl je voor je net gelezen boek een plaats op de lijn zoekt, zie je dat je twee, vijf, of tien jaar geleden een bepaald boek een plek gaf die je nu niet meer zou toekennen. Je constateert dat je smaak zich heeft verfijnd, dat je oordeelsvermogen ‘fijnbesnaard’ is geworden, sensitiever. En is alleen al die constatering niet geweldig? 

Slot

Het moge dan zo zijn dat (in mijn beeld) een continuüm een vruchtbaarder beeld is om leeservaringen te ordenen dan een strikte scheiding tussen lectuur en literatuur, blijft nog steeds de vraag staan: wat zegt de plek op dit continuüm over het ervaren van leesplezier? Neemt het leesplezier toe naarmate het schuifje meer naar rechts staat?

En er is nog een aanpalende kwestie die in het voorgaande niet besproken is maar mij wel relevant lijkt. Ik doel op de deugden die in het algemeen aan lezen worden toegekend maar in het bijzonder aan het lezen van literatuur. Ik stipte het in het voorgaande heel even aan: het je kunnen verplaatsen in een andere wereld, oefening in empathie en dat soort, aan het lezen toegekende gunstige effecten. Vragen die hier aan de orde zijn:

  • Wat is de herkomst van die deugden?
  • Neemt het leesplezier toe naarmate er meer sprake is van deze effecten?
  • Het lezen van literatuur in het onderwijs heeft eeuwenlang een educatieve functie gehad. Is deze functie nog steeds exclusief te claimen door de gevestigde literatuur? 
  • Is er iets te zeggen over een adoptie van die educatieve functie door andere kunstuitingen?
  • Is leesplezier een concurrent van de educatieve functie? Zitten die twee elkaar in de weg of kunnen ze elkaar versterken?
  • Hoe beleven jongeren zelf de verplichte literatuurlijst? Bevordert of doodt die hun leesplezier?

Er is nog genoeg te verkennen dus.

Blinde vlek

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *